Google Translate from NL Dutch NL English EN French FR German DE

Begraafplaats De Nieuwe Ooster Amsterdam

Afscheid van
Johannes Frederik (Hans) Groen
* Amsterdam, 17 09 1959 † Leer (Duitsland), 11 08 2022

Op 25 augustus 2022
Begraafplaats ‘De Nieuwe Ooster’ Amsterdam

ds. Sytze de Vries

Muziek bij binnenkomst

String Quartet no 13 in B-flat Major, Op. 130: V. Cavatina
van L. Van Beethoven (1770-1827)
Uitgevoerd door het Alban Berg Quartett

Inleidende woorden

Het is goed om hier samen te zijn
om afscheid te nemen van Johannes Frederik (Hans) Groen.
Zo is hij door mensen genoemd
en door God gekend.
Zo hebben wij hem gekend
als vriend en geliefde,
als broer en broeder in de Heer,
iemand met wie wij hebben geleefd en gewekt,
en de lofzang gezongen.
Deze dagen en vooral dit uur
zijn vol gedachten en herinneringen
aan dit mensenleven dat ten einde is.
Hier, op deze plek,
willen wij zijn leven en sterven gedenken,
zijn lichaam straks aan de aarde toevertrouwen
en hem bevelen in de hoede en de liefde
van de goede God.

Al onze gedachten,
herinneringen, vragen,
vreugde en verdriet,
willen wij ook neerleggen
voor Gods aangezicht.
Laten wij bidden:

Goede God,
Hans Groen is gestorven,
een mens die wij hebben gekend en liefgehad,
een mens met wie wij hebben geleefd en geloofd.
Onverhoeds is,
naar onze maatstaven te vroeg,
zijn leven afgebroken.
Liefde en vriendschap lijken te eindigen
in moeite en verdriet.

Hoe weten wij
of wij elkaar ten volle hebben gekend?
Hoe zullen wij dit leven recht doen?
In het aangezicht van de dood
zwijgen wij:
Gij kent het ten volle en doorgrondt het.
Daarom vertrouwen wij dit leven toe
aan uw trouw en erbarmen,
en wij bidden
dat het een bijdrage mag zijn aan uw Rijk,
een bouwsteen voor Jeruzalem-nieuw.

Wees zelf ook dit uur
de stille vlam die in ons midden brandt
en ons tot troost is, een baken
als wij midden in het leven
door de dood omgeven zijn.

Amen.

Gedachtenis van Hans Groen

Door zijn man Scott Owen

Wij hebben elkaar in Toronto ontmoet. Het was 1986. “Ontmoet”, want “elkaar leren kennen” is iets wat bij ons nooit ophield.

Hans was naar Toronto gekomen om een jaar te studeren. Hij wilde expres niet naar een Nederlandse kerk gaan, maar – typisch Hans – wilde volop meedoen aan de maatschappij, en zo werd het St. Thomas’s, een Anglicaanse kerk, hartje stad, op de campus van de Universiteit van Toronto. Vanzelfsprekend ging Hans in het koor zingen. Zingen is een dikke rode draad door Hans zijn leven.

Ik had St. Thomas’s een jaar eerder gevonden. Even voor de context: Het was een tijd waarin het doodnormaal was om homo’s te ontslaan, uit hun kerkgemeenschap te gooien, uit hun familie en vriendenkring te verbannen. Politie-invallen in homogelegenheden, naar een afgelegen plek rijden en in elkaar rammen. En AIDS heette toen de ‘gay disease’. Dood normaal. Ik zat dus nog helemaal in de kast met de deur op slot.

Toen Hans erbij kwam, was ik intussen misdienaar geworden.

Maar Hans was de echte dienaar. Zijn hele leven stond in het teken van dienen. Niet uit onderdanigheid of een minderwaardigheidsgevoel, en ook niet uit plicht, maar gewoon, omdat hij je ziet, omdat hij je erkent. Het enige wat hij verlangde, was om zelf ook gezien en erkend te worden.

Het was voor mij liefde op het eerste gezicht. Maar ik zat in de kast, en Hans zou over enkele maanden terugkeren naar Nederland. Ik moest dus iets doen. Ik zocht al mijn grenzen op.

Hans haalde de deur van mijn kast van slot, en ik heb die deur voor hem geopend.
Zondag 20 april 1986 zijn wij voor God getrouwd. Zo hebben wij het altijd ervaren.

Slechts vier maanden later kwam ik aan op Schiphol.

Zo is onze reis begonnen.

 

Ik? Ik moet alles allemaal begrijpen. Of eigenlijk: ik moet alles kunnen uitleggen en verdedigen. Voor goedkeuring. Dat is mijn onzekerheid. Maar voor Hans was geloof intrinsiek aan wie hij was. Geloof in Gods liefde, in verbinding en vergeving en de wederopstanding – dat hoorde onlosmakelijk bij Hans. Bij Hans was er ruimte voor het onverklaarbare, voor God’s wonderen; geen drang om het minutieus te analyseren zoals ik dat heb, maar gewoon: Controle uit handen geven – je kan het toch niet bevatten – vertrouwen.

Hans was tot in de kern authentiek en integer. Het zou gewoon he-le-maal niet in hem opkomen om te liegen of de feiten te verdraaien. Had hij iets in de winkel gekocht dat niet was afgerekend? Dan ging hij terug. Manipuleren of dingen naar zijn hand zetten? Nee. Het zat gewoon niet in hem. Dat maakte hem ook een beetje naïef: de minder verwachtte kant van de uitdrukking, Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.

 

In onze eerste jaren, heeft Hans mijn wijze van denken zozeer geopend, dat ik hem naast als mijn man ook als mijn mentor zag. En ik vroeg me af of hij mij echt nodig had. Maar hij zag zichzelf helemaal niet als mentor. En wat voor hem evident was, sprak hij zelden uit. Een kort maar heftige ‘herijking’ maakte dat wij ons hervonden als gelijken. Of, beter gezegd, wij hebben ons hervonden als de twee helften van dat ene geheel dat we altijd al waren. Ik leerde mijn onzekerheden niet op hem te projecteren, en hij leerde om dat wat voor hem evident was ook naar mij uit te spreken.

Natuurlijk blijven er altijd dingen van elkaar die je niet begrijpt, of dingen waarvoor je nog niet klaar bent om te bespreken. Hans zei, “Die ‘geheimen’ in een relatie zijn gezond, want zo blijft er altijd nog wat van elkaar te ontdekken, zo raak je nooit op elkaar uitgekeken.”

 

Hans kon zich niet ‘verkopen’ en in ‘smalltalk’ was hij hopeloos. Sollicitatiegesprekken waren voor hem een ramp. Hij was niet altijd even goed in nuances – vlam in de pan als hij onrecht of onzin of respectloosheid zag of hoorde, en dat viel gewoon niet te veranderen. Dit alles maakte het voor hem erg moeilijk om te leiden. Hij voelde zich het meest comfortabel op de tweede rang, bij wijze van spreken. En als hij gevraagd werd om ergens te werken – was zijn inbreng gewaardeerd – was hij helemaal blij. Daar is dat ‘dienen’ weer.

Als Hans voor of met je werkte, dan was het omdat hij het belangrijk vond en vrijwel altijd omdat het iets te maken had met één van zijn passies. Hij was dankbaar voor de erkenning en de waardering die hij mocht ontvangen. Toen hij gestopt was met werk, gebeurde het wel dat hij werd uitgenodigd om nog mee te denken en om bijeenkomsten bij te wonen. Dat ervaarde hij als een zeer grote eer. Altijd mooi om hem met binnenpret, thuis achter zijn laptop aan het werk te zien.

 

Ik kan het mij goed voorstellen als jullie denken dat zijn overlijden “plotseling en onverwacht” was, maar ik voelde dit al een hele tijd aankomen. Ik zag hoe door zijn hartproblemen zijn lichamelijke ‘lenigheid’ geleidelijk afnam, en zijn bandbreedte voor multitasking steeds nauwer werd, en dat alles lag ten grondslag aan de beslissing om in 2018 naar Groningen te verhuizen. Groningen is een levendige universiteitsstad, heeft een stadskerk, een mooie omgeving voor fietstochtjes, en – niet onbelangrijk – een academisch ziekenhuis. Hij kon stoppen met werken – want dat was al te veel voor hem aan het worden. Wij konden settelen in een plaats waar we allebei het gevoel bij hadden dat we er zouden kunnen blijven wonen, ook als de ander zou komen te overlijden. Ik was dus toen al achter de schermen veel aan het voorbereiden.

COVID maakte het maken van vrienden en het opbouwen van een ‘kerk-gevoel’ in Groningen erg moeilijk. Dat had een zware impact op Hans, want Zoom is niks voor hem – een kerkdienst voor hem is geen ‘ding’ om naar te kijken – en wegens zijn gezondheid moest hij extra voorzichtig zijn, dus zelfs bij de versoepelingen kon hij niet onder de mensen zijn. Het maakte ongedaan zelfs de voortgang die we in ons eerste jaar daar hadden gemaakt, en we voelden ons erg eenzaam. Maar na de lockdown kon hij weer meedoen met de cantorij van de Nieuwe Kerk waar hij het naar zijn zin had.

 

Hans zei altijd dat het hem niet uitmaakte waar hij begraven wordt. “Voor God is plaats onbelangrijk” zei hij. Vandaar dat Hans ook nooit de behoefte had om een reis naar het Heilige Land te maken, want Jeruzalem is overal waar mensen eraan bouwen. Wel was het belangrijk voor hem dat hij begraven werd, en niet gecremeerd. Niet uit bijgeloof, maar uit een gevoel voor liturgie. Hij wilde dat er zichtbaar, tastbaar afscheid genomen kon worden, want een begrafenis is niet voor de overledene maar voor de overlevenden. Hij wilde ons dienen. Begraven in Groningen lag dus voor de hand. Niemand hoeft zijn graf te bezoeken, want hij is er toch niet.

Maar Hans is in Amsterdam geboren en getogen, en Amsterdam was in zekere zin zijn Jeruzalem (ps 122). Amsterdam is één van die zeldzame steden waar je er helemaal bij kan horen, ook al was je helemaal ergens anders geboren. Kies je voor Amsterdam, dan ben je Amsterdammer (ps 87). Zo heb ik dat ervaren. Vandaar dat het voor mijn gevoel niet anders kon, dan dat we Hans hier zouden begraven. Om Hans te eren, om wat hij geloofde en waar hij naar streefde te erkennen, daarom moest zijn uitvaart hier zijn.

 

Wist je, dat de belangrijkste feestdag voor Hans niet Pasen was, maar Pinksteren? (Of, zoals wij dat altijd noemden, “Pimpksteren”, vanwege een typefout die hij ooit maakte bij het ontwerp van een orde van dienst.) Pinksteren, het feest waarop iedereen elkaar begrijpt.

Een Stad waar niet over het individu wordt heengewalst, maar waar iedereen erbij hoort en iedereen elkaar begrijpt. Dat is voor Hans de Hemel. Geen wonder dat Hans ook in hart en nieren een Europeaan was. Hij geloofde in het Europese Project, en bouwde mee aan die visie. Dat gaf hem zo veel voldoening en vreugde.

 

Fietsen is ook een dikke rode draad door Hans zijn leven. Wegens kniepijn kon ik niet meer mee, maar we hebben in het verleden enkele heel lange fietstochten gemaakt, door Engeland en Italië. Ondanks zijn hartproblemen, en ondanks ontzettend veel last van de bijwerkingen van de medicijnen, bleef hij een paar dagtochten per week van 50 à 90 km maken, meestal rond de 60 km. Na 20 minuten even een spraytje nitroglycerine voor de opkomende AP – ook al wou hij daar eigenlijk niet aan toegeven – , en dan hup, weer verder. Hij vroeg mij laatst of ik het erg vond dat hij soms minder statines innam, om zo van de zware spierpijn af te komen. Ik antwoordde toen dat ik liever heb dat hij kan doen waar hij zin in heeft, dan dat hij thuis zit als wrak, ook al zou ik hem een paar jaar minder hebben. Hij omhelsde mij.

Op 8 augustus vertrok hij voor een korte fietsreis naar Leer. De afstand van Groningen naar Leer op de eerste dag, en van daaruit een retourtje Emden op de tweede dag, was normaal gesproken geen enkel probleem. Op de derde dag besloot hij toch niet te fietsen, want hij voelde zich te moe – “mogelijk nog niet helemaal hersteld van die corona van een maand eerder” zei hij. Hij maakte een rustige wandeling door Leer, en genoot van eten bij een restaurant met uitzicht over het rivier. Daarna terug naar het hotel en vroeg naar bed.

Voor hij ging slapen hebben we nog gechat. Hij had het naar zijn zin en keek ernaar uit om terug bij mij te zijn en voor mij te koken. Hij ging vroeg naar bed om vroeg op te kunnen staan om weer vroeg bij mij te kunnen zijn. Zijn laatste bericht was “kusjes, ik hou van jou, night night, tot morgen.” Hij is in slaap gevallen en ergens daarna stopte zijn hart. Hij zag er vredig uit.

Het is moeilijk voor mij om voor te stellen, hoe het anders – voor hem – beter had kunnen zijn.

 

Vroeger zei ik wel eens: “Hans is the sanity in my life, and I am the insanity in his”. Maar de laatste jaren merkte ik dat ik voor hem de rots in zijn branding was. En met zijn hartproblemen werd die branding erg groot. Enkele maanden geleden zei hij zo maar uit het niets, toen wij in ons prieel zaten, dat hij, dankzij mij in zijn leven, een betere mens is geworden.

 

Ooit heb ik met God afgesproken dat ik voor Hans al zijn jaren kon blijven zorgen. Dus hoe onmeetbaar groot mijn verdriet ook is, het is een zegen, en daar ben ik dankbaar voor. Toen ik weer thuis was, heb ik dan ook een fles van ‘onze’ champagne opengetrokken, uit dankbaarheid.

 

Tot slot.

Hans, jij bent mijn alles.

Zoals druppels water in de Zee, zo zijn wij in God.

Ik weet niet hoe verder, maar Hans houdt mijn hand nog vast, en ik volg een weg die God voor mij vrijmaakt.

Kusjes, ik hou van jou, night night, tot morgen.

Orgelwerk

Adagio uit Toccata, Adagio & Fuga in c-dur
van J.S.Bach (1658-1750) – BWV 564(2)

door Hans’ broer Maarten Groen

Lezing uit de Bijbel

Openbaring 21,1-7
En ik zag een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde,
want de eerste hemel en de eerste aarde
waren voorbjj gegaan,
en de zee was niet meer.
En ik zag de heilige stad,
het nieuwe Jeruzalem,
neerdalen vanuit de hemel bij God,
toebereid als een bruid
die zich voor haar man heeft versierd.
En ik hoorde een grote stem
vanaf de troon zeggen:
zie, de tent van God is bij de mensen
en hij zal bij hen wonen
en zij zullen zijn volken zijn
en God zelf zal bij hen zijn,
en iedere traan zal hij van hun ogen afwissen;
en de dood is niet meer,
noch rouw, noch geschrei of moeite:
de eerste dingen zijn voorbijgegaan!
En die op de troon zat zei:
zie, ik maak alle dingen nieuw!
En hij zei: Schrijf,  deze woorden
zijn betrouwbaar en waarachtig!
En hij zei tot mij: het is geschied;
Ik ben de alfa en de omega,
het begin en het einde.
Ik zal de dorstige geven
uit de bron van het levenswater, om niet.
Wie overwint zal deze dingen beërven,
en ik zal hem een God zijn
en hij zal mij een zoon zijn.

Overweging

Thema: ‘Jerusalem, my happy home’.

Het leven van Hans Groen sluiten wij af met een visioen.
Een visioen, waarin zijn politieke, sociale en gelovige uitgangspunten
samenvloeien, zoals drie bronnen uitlopen op een rivier.
Een visioen dat het opschrift draagt: Jeruzalem.
Met die naam bedoel ik niet die geografische plek
waar je met El-Al heen kunt vliegen,
als vakantieganger of reli-toerist.
Maar het Jeruzalem,
zoals dat in de Bijbelse verhalen contouren krijgt.
Want de contouren van die stad
hebben Hans’ denken mede bepaald.

Voor hem vormde het menselijk samenleven een intrigerend thema.
Op verschillende fronten is hij op zoek geweest
naar de optimale voorwaarden voor dat samenleven.
Op zoek naar de stad, waar de mensen met elkaar verkeren
tot ieders welzijn en geluk.

Kijk – zoals we dat met Huub Oosterhuis zingen –
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
En elk zijn naam in vrede draagt’.

Zijn christelijk-sociale inborst heeft hem daarbij altijd geleid.
Hij vond die in die bijbelse droom,
dat beeld van een stad, dat trefwoord ‘Jeruzalem’.
Ook wel te noemen ‘Mokum’.

In het bijbelboek Deuteronomium
worden de contouren van het Beloofde Land geschetst.
Worden ook de spelregels gegeven voor het samenleven daar.
Steeds als een toekomstvisioen:

‘Wanneer jullie wonen in het land, dat Ik je aanwijs,
en komt op de plaats (de makom/het Mokum)
“waar Ik mijn naam zal doen wonen”…

Die visionaire bijbelse stad kenmerkt zich niet
door grootsheid, economisch of cultureel, of door macht,
maar door maar één ding: het is waar de Naam woont.
Die Naam die zichzelf nader definieert
als ‘liefde, erbarmen, goedheid en lankmoedigheid.’
Dat is de enig vruchtbare bodem voor werkelijk samen-leven.

De Bijbel eindigt met dat visioen:
Jeruzalem als het centrum, waar alle volken elkaar ontmoeten
in hun zoektocht naar gerechtigheid en vrede.
Het is de samenleving waar de Naam/God in ons midden woont.
Jeruzalem, als de gastvrije ontmoetingsplaats
waar de poorten altijd open staan,
waar alle bederf en verdriet geen kans meer krijgen
waar mensen elkaar in hun eigenheid verstaan.

Het is een stad om in te geloven,
Het is een stad om van te zingen,
Het is een stad om van te dromen
Het is een visioen waardoor je je kunt laten leiden…

Zo meteen horen we een strofe uit Psalm 122.
De Psalm, door Hans zelf betiteld als ‘het Hooglied van de stad’.
Wie psalm 122 zingt stapt in dat visioen!
Stapt in in die gedroomde samenleving.

In een ander bijbelboek, de brief aan de Hebreeën
wordt het beeld geschetst van een stoet van mensen,
die de koers in hun leven door hun geloof laten bepalen.
Zij – zo wordt het genoemd – zijn onderweg naar een ander vaderland,
naar de stad, waarvan God zelf de bouwmeester en schepper is.
Die stoet is gaande, nog altijd….onderweg naar Jeruzalem-nieuw.
Velen zijn al lang uit het zicht,
anderen staan ons nog voor ogen,
sommigen sluiten zich nog maar net aan…
“zij zijn gestorven, zonder het beloofde verkregen te hebben,
maar ze hebben van verre gezien,
de stad die God hen heeft bereid.”
Oftewel: het visioen heeft hen gaande gehouden.

Zo zal ook Hans ons voor ogen blijven staan,
gaande in die stoet, op weg naar stad van God,
zoekend naar een samenleving
waar recht wordt gedaan en vrede woont.
Zo blijft Hans ons voor ogen staan,
in het vertrouwen dat hij zijn Mokum definitief gevonden heeft.

Muziek

Psalm 122 van Jan Pieterszoon Sweelinck
Uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Jan Boeke

Incontinent que j’eus ouï,
sus, allons le lieu visiter,                         
ou le Seigneur veut habiter.
O que mon coeur s’est rejouï!                
Or en tes porches entreront                   
nos pieds, et sejour y feront,                  
Jerusalem la bien dressée:                     
Jerusalem qui t’entretiens
unie avenques tous les tiens,                 
comme cite bien police.

Hoe sprong mijn hart hoog op in mij
toen men mij zeide: ‘Gord u aan
Om naar des HEREN huis te gaan.
Kom, ga met ons en doe als wij!’
Jeruzalem, dat ik bemin,
wij treden uw poorten in
u, Godsstad, mogen wij ontmoeten!
Jeruzalem, van ver aanschouwd,
wel saamgevoegd en welgebouwd,
o schone stede, die wij groeten.

 Zegen, voordat de kist wordt uitgedragen

Ten afscheid
zegenen wij het lichaam (+) van Hans:
Dit lichaam,
dat wij hebben gekend
van hand in hand – en arm in arm,
van huid op huid en zij aan zij, –
dit lichaam
dat wist van liefde en van koorts,
van verlangen én begeerte,
van koestering én kilte,
van aandacht én ontkenning,

dit lichaam,
dat gedragen is
én werd geslagen, –

dit lichaam
vaak een vriend
en soms een vijand,

dit lichaam
laten wij nu los
om te worden
wat zijn oorsprong was:
stof tot stof
en aarde tot aarde.

Wat het bezielde
blijft ons bij,
gaat met ons mee,
in het vertrouwen
dat ook de gedachtenis van deze mens
ons tot zegen is en blijft.
Zo moge het zijn, amen.

Het lichaam, dat die namen droeg,
en dat met doopwater getekend was,
geven wij nu uit handen,
wij zaaien het in de aarde
en dekken het toe als een zaad.

Indachtig de woorden van Roland Holst:

Ik zal de halmen niet meer zien,
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in de oogst geloven
waarvoor ik dien.

 Muziek

‘Nimrod’ uit The Enigma Variations
van Edward Elgar (1857-1934)
Uitgevoerd door het Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. André Previn

Bij het graf

Hier leggen wij Hans Groen
in de aarde
waar zijn lichaam voorgoed zal rusten
en één worden met de natuur,
waar hij zoveel van hield.
Wij zaaien het in de aarde
en dekken het toe:
Aarde tot aarde, stof tot stof.

De kist in het graf neergelaten

Laat dit een plek zijn van vrede,
een tuin van herinneren en gedenken.

Hans Groen laten wij los.
Zijn adem en zijn naam
laten wij in Gods handen:
dat hij die bundelt bij zijn getrouwen.

Want niemand leeft voor zichzelf
En niemand sterft voor zichzelf.
Wij leven en sterven voor God onze Heer;
Hem behoren wij toe.

En het laatste woord over zijn en ons leven
zijn de woorden van het gebed
dat Jezus ons naliet,
het gebed van de wereldwijde christenheid.
Wie dat wil en kan
nodig ik uit het met ons mee te bidden:

Onze Vader in de hemel,
uw Naam worde geheiligd,
uw Rijk kome,
uw wil geschiede
zoals in de hemel, zo ook op aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schuld
zoals ook aan anderen hun schuld vergeven.
En leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van het kwaad,
want van U is het Koninkrijk
en de kracht en de heerlijkheid,
in eeuwigheid.
Amen.